Schrijversonderwerp 7 - 16 juni 2023

 

 

 

 

V E E R D I E N S T E N

 

Primitief overzetten in de Zeeuwse delta

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         

 

                           

 

 

door Phons Bakx

 

 

 

Oeverwaders en rugbepakking [i]

 

 

Breskens, halverwege de jaren ’70 - De provinciale veerdienst Vlissingen-Breskens werd toen louter geregeld door drie robuuste en­kel­dekkers van de zogeheten ‘prinsessenklasse’: de ‘Irene’, de ‘Beatrix’ en de ‘Margriet’. Soms, bij veel drukte, deed de oudere, opengemaakte ‘Prins Bernhard’ ook nog wel eens mee. In de aanlandingshavens van Vlissingen en Breskens lag dan de zware hefbrug met boven aan weers­zijden een smal brugonderdeel voor voetgangers. Dat was bedekt met zwart bitumen en diende als loop­pad voor de rij voetgangers tussen veerboot en wal. Vanaf de boot gezien ging rechts de rij eraf, links klom de rij erop. Ze ondervonden geen hinder van elkaar. Klimmen of dalen en volkomen traploos, maar wel met een bepaalde knik in het looppad waardoor ‘steil’ overging in ‘minder steil’. Daar onderdoor bewogen zich de fietsers en brom­mers, ook weer rechts de boot afrijdend en aan de linker zijflank de boot opgaand.

Dat bitumen looppad naar beneden her­innert Utsava Van Den Bekke op die éne dag zich nog goed, want toen ze als voetgang­ster in Bres­kens aankwam, zag ze dat het aanleg­niveau van de veerhaven voor een groot gedeelte onder wa­ter stond. Zoiets noemt men ‘giertij’: extreem hoog water. Het jaar waarin het gebeurde weet ze zich niet te herinneren, wel dat het om een enkeldeks veerboot ging met losse stoelen in de koffiesalons.

 

Dat het veerplein in Breskens zo flink onder water kon staan, had zij nooit eer­der mee­ge­maakt. Bij het aflopen van de veerboot, bleef iede­r­een op het bitumen pad dan ook bij de rand waar het water tegenaan klotste, stilstaan. ‘Wat nu?’ vroegen de passagiers zich af. Intussen waren er drie PSD-matrozen via het onderdek van de veer­boot door het water naar de wachtende voetgangers toe komen lopen, om direct de oplossing op ‘Wat nu?’ te geven. Ja, dat ging gepaard met schroom, een hoop jolijt en stoer­heid, want wie van de voet­gan­gers toonde zich direct be­reid om zomaar op de rug van een vreemde PSD-mat­roos te sprin­gen, en zich verder tot op het droge te laten over­zetten? Het oeverwaden van de PSD-mannen tot op kniehoogte, was misschien goed voor een flinke dertigtal pas­sen landinwaarts, misschien nog meer waar het dan uiteindelijk helemaal droog was. Een enkele passagier liet zich echt niet dragen, anderen weer wel, waaron­der de jonge Utsava Van Den Bekke. En het ging met heel wat gegiechel gepaard! Op de oever lie­pen de drie PSD’ers door het Schel­de­wa­ter af en aan, elk met een passa­gier op zijn rug. En ze keer­den onmiddellijk terug om de vol­gende op te pikken.[ii] Onderwijl namen fietsers, brom­mers, per­so­nenauto’s en het vracht­verkeer een flinke daling door het water. Met opspattend water en auto­mo­biel geraas verliet iedereen luidruchtig de veer­boot. Maar hoe stond het met de voetgangers aan de andere kant, die de boot opwilden? Geen verslag daarover verno­men, maar ik neem aan dat ze door dezelfde oeverwaders tot op de loopbrug werden overgezet.

 

Terneuzen, 10 december 1965 – Overal in Zeeuwse veerhavens waar de Noordzee zijn getijdeninstroom had, konden veerpassagiers het soms levendig meemaken dat bij aan­komst van hun veerboot, bijvoorbeeld de drijvende ponton, de hefbrug, de aanlegkade of zelfs heel het veerplein onder water stond vanwege een uitzonder­lijke hoog­waterstand.
Iets dergelijks zou ook mevrouw Verburg uit Kattendijke op een winterse middag mogen meemaken, toen ze als passagier vanuit Hoedekenskerke met de veerboot naar Terneuzen overvoer. Allereerst was er in Hoedekenskerke geen spoortje van een abnormaliteit te bemerken, daarentegen wèl volop in Terneuzen. Ze vertelde dat de veerboot in Terneuzen misschien wel tegen een vast object op de rede van Terneuzen kon aanleggen, maar dat het alleszins onmogelijk was voor de passagiers, fietsers en automobilisten om zoals gebruikelijk van boord te kunnen. De drijfponton zelf stond op zijn hoogste schuifstand al helemaal onder water. Aan de wal in Terneuzen zag ze PSD-mensen naarstig aan het werk om een grote partij zandzakken voor de ingang van hun PSD-kantoor neer te leggen om het instromen van het water zoveel mogelijk te beletten. De veerboot waarop ze aankwam, waarschijnlijk de ‘scherpe’ Willem I, hield aan het begin van de pier stil en legde niet aan op zijn gebruikelijke plaats. Omdat het sowieso een zaak zou worden van lang wachten totdat het waterpeil weer wat zou dalen, had intussen het PSD-personeel wel aan alle voetgangers aan boord gevraagd, of ze het soms aandurfden om over de reling buiten langs de scheepswand via een ladder naar een roeiboot af te dalen. Mevrouw Verburg zei toe dit zeker te willen, en ze klauterde een meter of vier naar beneden, waar ze in een roeiboot werd opgevangen. Daarin konden per keer vier passagiers tussen het schip en de wal worden overgezet. Via een lierkabel werd de roeiboot naar een verhoging op de kade toegetrokken, terwijl één PSD-man in de roeiboot de riemen hanteerde. Alleen roeien was onmogelijk vanwege een te sterke getijdestroom.
[iii]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder meer me­vrouw Verburg (met tas en hoofdkapje) in de
roeiboot die in Terneuzen als ‘tussenveer’ diende tussen
de veerboot en de wal.
(kran­tenfoto zater­dag 11 decem­ber 1965,
dagblad De Stem, Jrg. 105. nr. 25070, voorpagina)

 

 

Perkpolder, beginjaren ’50 - Uit de jeugdherinneringen van mevrouw Lenny Kam­moun, geboren Mast (1944), doorgebracht aan de Perk­polderhaven, valt op te maken dat het oever­wa­den op de onder­gelopen veer­havenkades aan de Westerschelde meer dan een enkele keer actu­eel moet zijn geweest. Lenny’s vader was PSD-walcom­mis­saris in Perk­polder, en als kind groeide zij in het diensthuis van haar vader op, pal aan de zilte water­kant. - Lenny: “Als het flink hoogwater was, zag ik altijd men­sen van de boot komen aflopen die pas­sa­giers op hun rug meenamen omdat die anders natte voeten zouden ha­len.”[iv]
Het valt direct goed te begrijpen, dat de infrastructuur rond een veerbootfuik bij extreem hoog water ook heel gevaarlijk kan zijn, om dan op zo’n plek her en der door het water te lopen. Wat gewoonlijk als verschil tussen hoog en laag in de vormgegeven betonbouw van de aanlegkade en al het houtwerk, goed kan worden waargenomen, staat bij giertij voor een belangrijk deel onder water. Onder de wadende voeten kan geen ondergrond meer worden herkend. Mensen die anderen op hun rug de boot afhiel­pen, konden dat ook alleen maar doen omdat zij goed wisten waar het gebruikelijke looppad liep. Daarvan afwijken, kan dan zelfs levensbedreigend uitpakken.

 

 

           

Giertij op het oude veerplein te Bres­kens, maart 1949. De PSD-
medewer­ker met natte voe­ten is Ko Adam (info: Wilma Valk)
(foto: nr. 428, coll. Jan Jans­sens, 17-06-’16 -
Op Bres­jes: Kaai­plein, oude foto’s)

 

De enkeldekker prinsesseklasse ‘Beatrix’ in een flinke deining op weg
naar Breskens, met Fré Blommaert op dat moment als kapitein, en
Jan de Feijter als stuurman (bron: Fré Blommaert / foto: Franz Gittenberger)

 

Sliklopers [v]

 

Voorgaande eeuwen - In het vroegere Zeeuwse veerwezen werd vanwege dit soort onvoorziene situa­ties vaak een beroep gedaan op het benen­werk van dienstdoende ma­tro­zen aan boord. In zover bekend werden passagiers altijd eerst voor de vrije keuze geplaatst of zij door een matroos of iemand anders van boord gedra­gen wilden worden, of helemaal niet. Want lang niet iede­reen was ervan gediend om zomaar vrijwillig op iemand zijn rug te springen en dan al wa­dend door het water naar het droge deel van de oever te worden overgezet. En dan ook nog de koffers, tassen en alle toebehoren erbij. Toch schijnt het fenomeen van het ‘oever­waden’, zoals hier belicht, niet echt vaak te zijn voorgekomen.

 

Daarentegen konden er zich ook nog ander­soortige verrassende aanlandsituaties voordoen, waarbij de pas­sa­giers het volkomen tegen­over­ge­stelde van hoogwater kregen voorgeschoteld. In de Zeeuwse delta kwam het regelmatig voor dat passagiers en hun baga­ge over langere afstand op de rug gedragen moesten worden, omdat het op bepaalde plekken aan waardige vaardiepte voor een dienstdoend veerschip ont­brak. Vanwege het getijde was zo’n veerhaven dan tijdelijk niet te bereiken. Dit kwam het meest voor in de tijden wanneer er nog sprake was van ‘primor­diale aanleg­steigers’ in een aantal Zeeuwse open-tijhavens. Zo’n haven kon vanwege het doodtij per schip niet worden bereikt. Wach­ten op veran­dering van de wa­terstand behoorde dan beslist tot de meest nobele maar ook aller­las­tig­ste opties, zeker als de gezagvoerder van zo’n schuit nog niet met het besluit had ingegrepen om alle




Lopend door ondiep zeewater om
een overzetdienst te verlenen

passagiers en hun bagage door zijn eigen varensmannen op de rug te laten nemen (met voor­behoud van hun vrijwilligheid), en hen door het zompige voorland met zijn mod­derslikken tussen dijk en laagwaterlijn heen te torsen.[vi]

 

Zo waren er vroeger in Breskens speciaal voor die functie twî drâog’rs permanent aangesteld, die dan bij laag­water een steiger­schuit stonden op te wach­ten, omdat die de aanlegsteiger niet bereiken kon. Indien de dragers in actie konden komen, hoefde men in elk geval niet die lange ‘afwachttijd voor het getij’ aan te gaan, en konden alle planningen omtrent lossen en laden toch ongestoord door­gaan. Hoogstwaarschijnlijk werd het dragen van vracht en passagier tot op het droge, indertijd altijd wel als een plicht van de veer­man opgevat.[vii] Want betaald vervoer over water ver­onder­stelt immers dat de passagier droog afvaart en ook droog aanlandt. De passagier moest mid­dels het ge­ven van chartaal geld aan de veerman, zich daar toch altijd op kunnen be­roepen. Bin­nen de statuten van het historische veer­­recht zou het als een soort van onge­schreven werkre­gel gelden, die hoe dan ook, zoveel moge­lijk door de veerpachter en zijn personeel diende te worden nage­streefd. Maar voor de mannen van de latere,  ge­reg­lementeerde veer­dien­sten vanuit Zeeuws provinciaal bestuur, zou het dan weer helemaal niét als een werkplicht gelden om mensen achter op de rug te moeten nemen en hen tot op het droge van boord te dragen.[viii] Maar deed een nood­situatie zich dan voor, dan werd dat zeker als zeer betame­lijk opge­vat indien veer­man­nen en matrozen dit wel voor hun passa­giers en hun goederen over hadden.

 

 

 

Killendragers[ix]

 

Voorgaande eeuw - Beschrijvingen over het buitendijkse sliklopen in functie van het overzettende veer, roepen onmid­del­lijk nog meer beelden op, zoals die van het historische ‘killendragen’. Dat was een oeroud verschijnsel dat zich het meest voordeed in tij­den van willekurige veer­over­zet in de kleinere zeearmen van de Zeeuwse del­ta. De drager waad­de met zijn benen door de kleine waterstro­­men, bekend als ‘kil­len’: watergeulen met grillige en gladde diep­tes, veranderlijk stro­mend in de schorren van een zee­arm. Zo kon de ­over­tocht van een veerpassa­gier in bijvoorbeeld een roeiveer gelijk al met het killen­dra­gen begin­nen of anders er­mee eindi­gen. Dat bleek ge­tijde-afhan­kelijk te zijn. Klaar­­blijke­lijk waren kil­len­dra­gers als niemand anders er uiterst kien op waar-wel en waar-niet gelopen kon wor­den. Ze waren de enigen die bekend waren met de gevaren en grillen van de slib­ben. En zo kon de passagier op een roei- of zeilveer het mee­maken dat de schuit onaangekon­digd plots stilhield, en dat hem door de veerman werd verzocht van boord te gaan. Bui­ten­boord kon hij direct al op iemands rug plaatsnemen die daar klaar voor stond. Al wa­dend door het beweeglijke halfdiep en over het drooggetrokken slib van het schor moest het resterende deel van zijn overzetreis nog te voet worden afge­legd, maar wel met gebruikmaking van de voeten en benen van iemand anders. Het ging er altijd nog om dat de betalende passa­gier droog­voets aan­landde, ook al konden er onderweg ongetwijfeld heel wat mis­stapjes en glibberpartijtjes zich voordoen.

 

Blijkbaar werd het kil­len­dragen altijd in af­spraak met de reguliere over­zetters geaccordeerd, zeker bij die bepaalde geulpas­sages waar de roei­­ers en zeilers hun overzet over het traject niet kon­den afronden.[x] Het spreekt voor zich dat de killendrager, of meer van hen in aantal, vaak in de schuit al aanwezig waren en meevoer(en). Mogelijk meer nog dat hij op een afgespro­ken plaats in het landschap het vaartuig al op stond te wachten.

 

 

 

Het Verdronken Land van Saeftinghe - Natuurfotografie

 

Lege killen als gevolg van de getijdenwerking
(foto: Jan Koeman)

 

 

 

de killendrager

 

 

Drie gezusters

 

Negentiende eeuw - De Zeeuws-Vlaamse dialect­speci­a­list Geor­ge Spon­selee (1933-2016) ver­­wees in een dialoog met fotograaf Franz Gittenberger, over het leven van drie potige ­zus­ters die aan het begin van de negen­tien­de eeuw, elk dat zware kil­lendragerswerk met regelmaat uitvoerden, en wel op de slik­ken van het (toen nog openliggende) Hel­le­gat, die later tot de Willem III Polder werd ingepolderd, ter hoogte van Ruischendegat en De Sluis. De drie gezusters, wiens familienaam niet bekend is, woonden in een behuizinkje bijeen, vrij dicht aan de boorden van de nauw toelopende slufter van het Hellegat, die vanwege de getijdendynamiek nog vrij ver in zuidelijke richting doordrong. Al namen Sponselee en Gittenberger heemkunde en maritieme geschiedenis in hun landschapsbespreking mee, algauw stieten ze op een in­discreter aspect. Want de mannen becommentarieerden het subject dat deze gezusters wijd en zijd, ver voorbij het oude Stoppel­dijkveer, er bekend om stonden, dat zij niet alleen krachtige killen­draa­gsters waren, maar dat zij bovendien hun werk extra gewillig uitvoerden als er man­ne­lijke pas­sa­giers op hun rug plaats hadden mogen nemen. De volksverbeelding die dit treft, zou zoiets mogelijk kwalifi­ceren als ‘de kat die op het spek gebonden wordt’. Want uiteraard, en zo hield ook tussen Sponselee en Gitten­berger de eeuwenoude bewering stand, ‘kon uit het éne name­lijk altijd wel het àndere voort­komen’. De twee waren het erover eens dat een veerreiziger die met een schuit langs al die kromlopende water­tjes en slikken van het Hellegat gaan moest, wel eens eraan toe was om iets te drinken. En daarna misschien ook wel om wat te eten. Al ging de onderneming van het killendragen gewoonlijk gepaard met veel schroom en nog meer gegiechel aan de kant van de passagier, invita­ties die van de drie zusters zelf uitgingen naar hun eigen huisadres, deed al dat gegniffel ook weer

 

 

 

 

 

 

snel verstommen. Wat er uiteindelijk over de drie legendarische gezusters ook allemaal is beweerd, het moge waar zijn of niet, maar parallel aan de huidige, drooggelegde bed­ding van het oude Hel­le­gat, ter hoogte  van het tra­ject Stoppeldijkveer-De Sluis-Rui­schen­de­gat ligt als heemkundig aandenken aan de drie vrouwen, altijd nog een dijk met hun benaming: ‘Drie Ge­zus­ters­dijk’. Anderzijds wordt nog gesteld dat buurtschap De Sluis voor de alleroudsten onder ons altijd nog de naam draagt van «Drie Gezusters». Daarmee gedenkt de streek nog altijd de drie killendraagsters, die blijkbaar door de onberekenbare kracht van het zeewater vanuit de toenmalige Honte (Wester­schelde), op een nacht compleet overrompeld werden en daardoor verdron­ken. Een landkaart uit 1865 laat zien dat hun behuizing inderdaad dicht bij de slufter van het Hellegat heeft gestaan, feitelijk ook niet meer dan een langwerpige woestenij van water, die toen nog door geen enkele polderbedijking bedwongen was.

 

 

 

Zicht op de Willem III-polder, waar vroeger de slikken en killen rond de slufter van het Hellegat lagen. Mogelijk dat hier binnen het open gezichtsveld de
behuizing heeft gestaan van de drie legendarische gezusters. Iets boven het midden van de foto is een lange horizontale lijn zichtbaar, waarachter de
huidige Drie Gezustersdijk ligt. (foto: Google Earth, 2017)

 

 

 

 

De lange Drie Gezustersdijk gelegen tussen Ruischendegat, De Sluis en Stoppeldijkveer in Oost Zeeuws-Vlaanderen. De dijk is ongeveer 2 km lang.
 (foto: Google Earth, 2017)

 

 

 

 

Bewegwijzering buiten het dorp Boschkapelle waar de Drie
Gezustersdijk in zuidelijke richting begint (foto: Google Earth, 2017)

 

 

 

Als u reageren wilt:
phonsbakx@gmail.com

 


 

 

 

    Noten



[i] passage uit «De Overzetters», 2018 - Ph. Bakx, p. 413-414

[ii] gesprek met Utsava Van Den Bekke, Middelburg, 18 juni 2017

[iii] telefoongesprek met mevrouw Verburg uit Kattendijke, naar aanleiding van oproep

   in radioprogramma ‘Een Uurtje Bert’, 4 februari 2003 (interview, techniek: Ph. Bakx),
   nadien uitgewerkt tot een hoofdstuk uit «De Overzetters», 2018 - Ph. Bakx - p. 410-412

[iv] pzc, zaterdag 2 september 2017, Jan van Damme. ‘Ik ben een havenkind’

   (Lenny Kammoun-Mast) - in de rubriek: Weer even thuis. p. 19

[v] passage uit «De Overzetters», p. 551-552

[vi] Wilderom, Marinus H. 1973. Tussen Afsluitdammen en Deltadijken, deel IV.

    Zeeuwsch-Vlaanderen. § 3. Veerhavens. p. 482

[vii] Wilderom, M. H. 1968. Tussen Afsluitdammen en Deltadijken, deel III. Midden

    Zeeland (Walcheren en Zuid-Beveland). § 3. Veren. Vlissingen. p. 411

[viii] Boogaard, Jacobus Frederik 1858. Wetten, decreten, besluiten, tractaten en andere

    bescheiden betreffende den Waterstaat in Nederland. Den Haag. P. 364, § 21 en 22:

    Koninklijk Besluit v. 1 sept. 1837, nr 80, houdend de goedkeuring van het door

    Staten van Zeeland (6 juli 1837) vastgestelde reglement, geldend voor de

    overzetveren van Zeeland.

[ix] zoals in noot v

[x] Sponselee, George / Gittenberger, Franz - 1989. Speuren naar Sporen, in: De 1990-
   kalender van Dow als Kijk- en Bewaarboek. Hulst/Terneuzen. Tussen twee veren, p. 51

 

 

 

MEER SCHRIJFONDERWERPEN
(allemaal onderling verbonden)

VOOR MEER SCHRIJVERSONDERWERPEN KLIK HIER