Schrijversonderwerp 5 :  2 juni 2023

 

 

 

 

 

 

door Phons Bakx

 

 

 

 

 

 

 

Ik was 25 jaar toen ik een treinkaart voor een week lang reizen door Nederland ná­maakte. Van leef­­­­tijd­ge­no­ten uit de twee grootste Walcherse steden had ik gehoord dat er geld­ te besparen viel, als je een gebruikte oranje weekkaart van tach­­tig gulden door een volledig ge­lijken­de nieuwe kaart ver­ving, die de geldigheid bezat van één enkele reis­­dag. Je was dan heel wat goedkoper uit. Alles wat je moest doen, was het datumvenster van beide oranje treinkaarten uitsnijden, en het datumvenster van de dagkaart overbrengen naar het vrijkomende datum­venster van de weekkaart. Oranje treinkaarten werden in de ja­ren ‘80 nog aan de ns-loketten verkocht, maar niet lang daarna zouden ze door nieuwe ontwerpen worden vervangen. Maar in de tijd waarover ik nu spreek, lag de moge­lijk­heid nog open om die oranje kaarten te vervalsen door ze te verwisselen op de manier die ik reeds aangaf. Je moest van tevoren wel nauwkeurig plannen op welke dag(en) je wilde reizen, zodat je zo’n dagkaart wel met het oog op de juiste toeko­mstige datum kon aanschaffen. Op deze manier kwam de vervalsing het beste tot zijn recht. Maar ik zag dat er vrij veel prutswerk met plakband mee gepaard ging. Bovendien moest iemand voor zichzelf ook het vertrouwen goed zien te behouden, om met zo’n bewerkte kaart toch geloofwaardig het spoor op te kunnen. Een en ander bekijkend vond ik dit gesleu­tel en ge­stoei met een scheer­mesje en plakband hele­maal niet aan­trek­ke­lijk om het zo uit te voeren. Het kwam niet waardig ge­noeg op me over om op zo’n manier met dit eind­resul­taat op pad te moeten gaan. Al die tijd voordien had ik me ruimschoots bezig gehouden als beel­dend kun­­­ste­naar – want dat wilde ik namelijk worden -  en allicht daardoor hield ik op dit soort praktijken juist een andere visie erop na. Daarbij was ik zijdelings ook geďnteresseerd in de druk­­tech­niek en het grafische vak en het grafische ontwerp van de oranje ns-weekkaart viel daar onder. Daarom kon volgens mij, een ver­valsing als ‘ars simulata’ zoveel fraaier worden gemaakt, en er ook heel wat authentieker uitzien.

 

 

 

 

 

 

De unieke weekkaart, oorspron­kelijk in
formaat 103 x 59 millimeter. Bepaalde subtiele
kleurtjes, onder meer van de blauwe

ballpoint, blijken na al die jaren lichtelijk

te zijn verschoten (coll. Ph. Bakx)

 

In de eerste week van augustus 1981 lag er voor mij een korte reisvakan­tie in het ver­schiet naar Vlieland. Ik was uitge­no­digd om een paar dagen naar dat wadden­eiland te komen, mits ik het traject Mid­del­burg-Har­lin­gen eerst per trein aflegde, om daarna de veer­boot in Har­lingen naar Oost-Vlie­­land te nemen. Vooraf had ik besloten om een gebruikte week­kaart van de Neder­land­se Spoor­­we­gen in zijn geheel en op ware groot­te en op wit kartonpapier na te maken. Een forse werkopdracht die ik mezelf oplegde.

Het reizen op oran­je trein­kaarten ging verge­zeld van een geldige identiteits­kaart met pasfoto. Voor mij gold het nummer BG 6430 . Ik wilde de week­kaart graag zodanig maken dat nie­mand hem van echt zou kun­nen on­der­­schei­den, althans niet op het eerste gezicht. Maar dat was makkelijker gedacht dan ge­daan! Dit streven stond voor­op omwille onderweg niet in de kraag te wor­­den gegrepen. Maar om een kopie helemaal exact zo na te ­ma­ken, zoals een kaart zich precies aan het oog presenteert, was eigenlijk niet mijn werk­stijl. Een of meer kleine afwij­kingen zouden het ontwerp alleszins meer maken tot een kunstenaars­produkt vanuit een eigen unieke hand. Naarmate de voltooi­ing van de kaart naderde, vond ik het maken van een exacte kopie eigenlijk steeds minder be­lang­rijk wor­den. Met de minuut groeide het vertrou­wen dat ik met deze kaart er goed doorheen zou komen. Mijn nabootsing verdiende het om op zijn minst een ‘ludiek ra­felrandje’ te krijgen. Op de af­beel­ding bij deze tekst valt voor de kijker nog wel een en ander na te gaan.

 

Er is duidelijk te zien dat ik zo­veel mo­ge­lijk met zwarte meca­norma-wrijf­letters heb willen werken in zover ik de juiste typografieën in huis had. Ik had al een flinke stapel verza­meld (en na 42 jaar heb ik ze nog steeds!), omdat

ik me vaak bezig­hield met het ontwerpen van illustra­ties voor brief­hoof­den, nota­blok­jes, visi­te­kaart­jes, boek­pa­gina’s en dergelijke, maar ook voor zelf uitgedachte zwart-wit pentekeningen.

Misschien onnodig om mensen er aan te herinneren dat het kaart­opper­vlak fel oran­je van kleur was. In dat fel gekleurde kaartoppervlak moesten drie lan­g­wer­pige ven­­ster­tjes in wit wor­­den uit­gespaard. In alle drie witte venstertjes van mijn voorbeeld stond in klei­ne oranje let­ters gedrukt, steeds her­haald, naast en on­der el­kaar:

ne­der­­land­se spoor­­­we­gen. Dat werkje moest ik strikt met een kroon­­tjes­pen en eco­­­line zien te kla­ren, want ik had geen oran­je wrijf­let­ters. Door­dat ik ecoline ge­bruik­te, mocht de week­­kaart tijdens de treinreis ook on­der geen

be­ding nat wor­den, want ecoline-inkt was na­melijk niet wa­tervast.

 

 

 

Typografische details

 

Ik weet me te herinneren dat tijdens het maken van de weekkaart, er een soort ballorig­heid in me ontstond. Iets van:

ach, het kan me ook niet zoveel schelen. Want on­danks de correcte, strakke vorde­ringen van het unieke exem­­plaar,

wilde ik me­zelf al helemaal niet meer houden aan de strakke herhalingen van het schrijfwerk met de kroontjespen en de oran­je inkt. Wat was het gevolg? In oranje ecoline schreef ik wille­keurig naast en onder elkaar: nederlandse spoor­wegen

bel­gische spoor­­we­gen noor­se spoor­we­gen zweedse spoorwegen deen­se spoor­wegen duitse spoor­­wegen en ga zo maar door, zowat heel het Euro­pacontinent af. De zekerheid aan mijn kant bleef staande dat ik hierdoor echt niet door de mand zou vallen, want al de zwarte letters die er alsnog over­heen moesten worden neergezet, trokken toch altijd eerst alle aandacht van de lezer naar zich toe. Iemand moest wel heel erg goed op de onderliggende oranje typografieën letten om de on­regelmatig­heden in de drie ven­s­tertjes op te merken.

 

Rechts, direct onder het grote datum­venster, ontstond uit mijn han­den een gitzwarte cij­fer­code die ik er zorgwekkend schom­melig en onevenwichtig uit vond zien. Daar was ik dan weer wel huiverig voor. Die heb ik dan ook vrij lang

zit­ten cor­ri­geren totdat die cijfers voor het oog iets strakker in hun rondingen werden. Ja, hierop – zo vulde ik dat ter plekke gevoelsmatig in - zou ik kunnen worden gepakt. Als iemand zich iets langer dan nodig op de vormgeving van die zwarte cijfercode zou concentreren, dan zou die beslist doorkrijgen dat er iets wiebeligs met die cijfers aan de hand was (en hoogst­waarschijnlijk ook met de hele trein­kaart).

 

De grootogende datum ¬7¬AUG 81 zette ik neer met de streken van een puntig pen­seel in een ietwat vaalgrijze tint. Deze datum moest sterk gelijken alsof-ie in één mechanische beweging door een rubbe­ren stem­pel erop neer was ­gestampt.

De begindatum ‘01.08.81’ moest goed lij­ken vanwege zijn violet­blauwe drukinktinslag met de juiste datum. Ik was trots op de geslaagde na­boot­sing van de mechanische violet­blauwe druk­inktinslag bij het in te vullen geld­bedrag ‘- 80.00   353.

De echtheid kwam zeer goed tot uiting door­dat het geldbedrag zo authentiek mecha­nisch met één klap net iets buiten de kader­lijnen van het prijsvenstertje was ‘inge­slagen’. Mooier en echter dan dat kon volgens mij niet. Dat maakt zo’n kaart helemaal af. Het onderste venster ver­deeld in zeven blokjes was gewoon een kwestie van strak lijntrekken en het met een blauwe balpen invullen van de code BG 6430  die op mijn treinpas vermeld stond.

Als de achter­kant van de kaart zou wor­den geďn­spec­teerd, dan was ik wel direct de pineut, want in mijn geval was er

enkel maar een blan­co ach­ter­zijde te zien met een paar getekende inktkrabbeltjes, wat zeker niet het geval was bij

de au­then­­­tieke ns-week­kaart.

 

Ik heb met het reizen op deze kaart mezelf tachtig gulden cadeau gedaan. Maar het ging me allang niet meer om het geld.

Het ging om het maken, de kunst en de lust van het nŕmaken. Ik besloot om op deze reis mezelf een extra aan burgerlijke netheid toe te kennen, waar het mijn persoonlijke verschijning betrof. Speciaal voor de heenreis naar Har­lin­gen, maar

later die week ook weer terug, droeg ik een crčme­kleurig over­hemd gedecoreerd met een groen­kleurige plastron, waarbij ik een onop­vallend col­bertje droeg. Ja, die aankleding hoorde eveneens bij deze vervalsingsactie. Ik zag er een beetje uit als een heertje, of was het soms meer – zoals men bij Interpol placht te zeggen - een ‘gentleman boef’?

Ook al was ik het niet gewend, dit trein­uitje verdiende dit soort aangepaste aankleding wel. De serene rust van een treinreis over lange afstand die over me heen kwam, werd tijdens die reis natuurlijk flink verstoord doordat er een conducteur langs­kwam, die - niet meer dan dat - mijn kaart even wilde inzien. Ik herinner me dat het allemaal mannen waren, geen vrouwen. En waarover zou ik me in hemelsnaam raar moeten voelen? De man deed gewoon zijn werk.

Ik liet hem mijn kaart zien. Overigens waren die conducteurs wel mijn kijk­publiek waarvoor ik die kaart speciaal had gemaakt, en eigenlijk voor niemand anders. Daarom zou de treinkaart later als kunst­werkje aan de muur de titel meekrijgen: «Langs Zeven Conducteurs».

Vol­gens mijn telling is het met deze heen-en-weer reis door Ne­derland over twee afzonderlijke reisdagen,
zeven keer goed gegaan. Ik kreeg drie kaartcontroles op mijn heenreis, vier op de terugweg. En wat zou het geweest
zijn als ik alle zeven reisdagen allemaal had benut? Aan de spe­cia­le benepen emotionele span­ning die eraan ten
grondslag ligt, zal ik nooit wennen.

Ik moet toegeven dat ik tij­dens mijn reis nu en dan wel mijn eigenzinnige spits­von­dig­he­den als kunstenaar vervloekte.

Dat schijnt bij een goed uitgevoerd vak eenmaal te horen. Als mondharpspeler deed ik dat later ook, als ik op de bühne voor een publiek stond. Onwennige nervositeit laat zich wel vaker op die manier vertalen.

 

 

Mijn laatste reisdag


Onvergetelijk was de ontmoeting met de zeven­de en laat­ste con­duc­teur op 7 augustus. Rijdend in de richting Zeeland zat ik met een groepje (van mogelijk vijf) mensen bijeen in het in- en uit­stap­­por­taal van de trein op zo’n houten uit­klap­bare zit­plaats. Ik herinner me dat van alle aan­we­­zigen ik de laatste was waar de conduc­teur aan vroeg het vervoersbewijs te

mo­gen zien. Hij bekeek mijn kaart met mijn pas en keurde alles goed. Er werd in die tijd op dit soort kaarten niet geknipt

of extra gestempeld. En de kaart zat ook in een plas­tic hoesje verpakt. Natuurlijk had die laatste con­duc­teur voor mij

direct mogen door­lopen, maar dat deed hij niet. Hij stapte eerst wat achteruit en kwam nogmaals op me af. Terwijl hij

nog eens op mijn kaart wees, zei hij dat mijn week­kaart morgen (8 augus­tus) niet meer gel­dig zou zijn. Iets om zomaar
even te onthouden. Als ik op het laatste mo­ment door hem betrapt zou zijn, dan zou daar een handvol mensen onmiddellijk getuige van zijn geweest.

 

De bijhorende reispas met pasfoto uit 1980

 

Later gaf ik in Middelburg graag enig gerucht aan mijn geslaagde clandestiene onderneming, waardoor het ook met enige reuring on­der mijn leeftijd­ge­­no­ten en anderen opleefde. Ik kreeg bestel­lin­gen aan mijn kraam, want ie­der­een wilde voor wei­nig geld graag eens een week door Ne­der­land rei­­zen. Daartoe bleek ik kenne­lijk een optimale gelegen­heid te bieden. En dan be­merkte ik wel dat het vals­muntertje in mij het niet heeft willen winnen van de ludicus, en ik verkocht iedereen die bij me bestelde, een vriendelijk en liefdevol ‘nee’ met gratis glimlach erbij. Aan zoiets valt gewoonweg niet te beginnen. En zodoende kon ik deze treinreis ook blijvend herinneren als een leuk en uniek avon­tuur, maar wel met een emotionele span­ning waar­op ik niet zit te wachten. Ik hou er gewoon niet van en daar­om heb ik ook nooit meer zo’n tweede kaart nage­maakt.

 

Onverwacht staartje

 

Ongeveer twee jaar ná deze reis verbleef ik op een avond op een feest­­je in Amsterdam-West, naar ik meen in de

Plancius­straat. Op dat feestje ging onverwachts het gerucht rond over mijn zelfgemaakte treinkaart. Waar­om speciaal dan en daar? Omdat er namelijk twee jonge ns-conduc­teurs en één ns-loket­tis­te op dat feestje aanwe­zig waren, die door

de huisbewoners attent op mijn ns-tekenhandwerkje waren gemaakt. En dat niet alleen, de tekenaar was zelf in huis.

Ik dacht ook dat er een dun kunst­boekje in huis aanwezig was, waarin een aantal van mijn tekeningen en schilderijen afgebeeld stond, waaronder in zwart-wit ook mijn treinkaart. Ik werd voorgesteld aan enkele ns-mede­werkers die dit

soort grap­pen erg konden waarderen en dit ook verdroe­gen. De aan­we­zige lokettiste nodigde me vanwege die treinkaart zelfs uit om de eerstvol­gen­de dag, voordat ik naar Zeeland afreisde, eerst even langs haar loket op het Centraal Station

te komen, wat ik uit een soort beleefdheid ook gedaan heb. Daar overhandigde ze me een circulaire met de nieuwe

tarieven, ta­bellen en al dergelijke. «Da’s han­dig voor je…», zo zei ze me, «in ver­band met je eerstvolgende treinkaart.»

 

 

 

 

 

LANGS ZEVEN CONDUCTEURS werd als afzonderlijk hoofdstuk gepubliceerd
in het grote boek ‘Eens de jonge Zeeuw’, Deel 4 - p. 2023 - 2026

 

 

Tekst gelezen en je wilt een reactie geven…, graag
phonsbakx@gmail.com

 

 

 

 

 

MEER SCHRIJFONDERWERPEN
(allemaal onderling verbonden)

VOOR MEER SCHRIJVERSONDERWERPEN KLIK HIER